Abstract
Dit voorjaar is het precies vijftig jaar geleden dat de auteurs eerste publicatie over het nationaliteitsrecht verscheen: ‘Nationaliteitsrecht en emancipatie van de vrouw in de Bondsrepubliek’ (NJB 1975, 782-787). Door dat opstel werd de auteur gevraagd als preadviseur voor de Nederlandse Vereniging voor Rechtsvergelijking, wat leidde tot het boekje ‘Gelijkheid van man en vrouw in het nationaliteitsrecht’ (Kluwer 1977), waarin de auteur rechtsvergelijkend commentaar kon leveren op het toen juist gepubliceerde voorontwerp voor een Rijkswet op het Nederlanderschap. In 1985 was die Rijkswet op het Nederlanderschap een feit en werden mannen en vrouwen in het nationaliteitsrecht gelijk behandeld. Aan die gelijke behandeling werd later toch weer gemorreld, maar nu ten nadele van door Nederlanders erkende kinderen. In 2003 werd het nationaliteitsgevolg van erkenning van een buitenlands kind door een Nederlander geschrapt, maar dat werd in 2009 teruggedraaid: mits de erkenning plaats vond voor de zevende verjaardag van het kind, verwierf dit het Nederlanderschap. Werd een minderjarig kind pas daarna erkend, dan werd het Nederlanderschap uitsluitend verworven indien binnen een jaar na de erkenning door middel van een DNA-rapport werd aangetoond dat de erkenning in overeenstemming was met de biologische waarheid. Rechtsvergelijkend nationaliteitsrecht werd mijn stokpaardje, zowel in mijn Nederlandse publicaties als in mijn werkzaamheden voor UNHCR, de Raad van Europa en de Europese Unie. Die bezigheden openden mijn ogen voor zwakke of zelfs ronduit slechte aspecten van het Nederlandse nationaliteitsrecht.
| Original language | Dutch |
|---|---|
| Pages (from-to) | 215 |
| Journal | Asiel- en Migrantenrecht |
| Issue number | 4 |
| Publication status | Published - 9 May 2025 |
Cite this
- APA
- Author
- BIBTEX
- Harvard
- Standard
- RIS
- Vancouver